De Drafsport

Onze geliefde Dravers zijn van oorsprong bedoeld om mee te doen in de drafsport. Over deze sport zijn veel misvattingen en vooroordelen. Om deze denkbeelden wat uit de wereld te helpen én om dravereigenaren meer inzicht te geven in wat hun paard nu eigenlijk gedaan heeft in zijn jongeren jaren, willen we hier wat dieper ingaan op deze sport.

De Drafsport en zijn geschiedenis

Drafsport is een vorm van paardensport waarbij het draait om snelheid. De speciaal voor deze sport gefokte paarden zijn van het ras harddraver. Andere rassen mogen niet meedoen de wedstrijden. Deze dravers worden meestal niet bereden, maar lopen ingespannen voor een heel licht karretje, de zogenaamde sulky. De rijder die zich op deze sulky bevindt, wordt “pikeur” genoemd (in België ook wel “jockey” of “driver”). Soms vinden er drafwedstrijden onder het zadel plaats, dit noemt men “monté-draverijen”. De meeste drafsportwedstrijden, ook wel koersen genoemd, worden op speciaal daarvoor aangelegde drafbanen gehouden. Als een van de weinige sporten kan er op de draverijen ook commercieel gewed worden; dit kan op de drafbanen zelf, in zogenaamde wedkantoren en ook via internet (www.weddenoppaarden.nl).

De drafsport is in Nederland al eeuwen oud. Om meer publiek te trekken en meer aanvoer van paarden te krijgen, werden al in de 16e eeuw drafwedstrijden uitgeschreven op paardenmarkten en jaarmarkten. De paarden draafden twee aan twee tegen elkaar over een recht stuk weg van zo’n 200 tot 300 meter. De snelste ging steeds door naar de volgende ronde of “omloop”. De huidige kortebaandraverijen werken nog steeds volgens dit principe. De paarden werden destijds bereden, maar zonder zadel; de rijders zaten op een deken. Pas later ging men over op het aangespannen draven, en ging men ook langebaandraverijen organiseren, de basis van de huidige drafsport. Dit vond vanaf de tweede helft van de 19e eeuw plaats, en men begon toen met het aanleggen van drafbanen.

Hoewel de drafsport van oorsprong uit Europa komt, werd deze sport ook in Noord-Amerika, Australië en Nieuw-Zeeland erg populair. In deze landen is naast de draver ook de pacer erg geliefd. De pacer is meestal een Amerikaanse draver, ook wel Standardbred genoemd, alleen legt hij zijn wedstrijden niet af in draf, maar in telgang, de zogenaamde “pace”. De pacers zijn bij de wedders erg populair, omdat ze minder snel in galop springen en dus betrouwbaarder zijn. Ook zijn ze tegenwoordig zelfs sneller dan de Dravers. In Nederland kennen we geen pacers, hoewel er heel veel Dravers zijn met aanleg voor deze telgang of pace.

Wil je meer weten over de geschiedenis van de drafsport? Kijk dan hier.

Het is nu jammer genoeg bijna niet meer voor te stellen, maar Dravers en drafsport waren vroeger immens populair, en de snelste Dravers en hun pikeurs werden als helden vereerd. Ze verschenen in allerlei reclames om goederen aan te prijzen, en sommige Dravers in Amerika maakten een hele tournee door het land waarbij massa’s mensen op de been kwamen. Enkele voorbeelden van deze helden zijn Greyhound, Henri Buitenzorg, Action Skoatter en Moni Maker.

Wil je meer weten over deze legendarische helden? Kijk dan hier.

De training en het harnachement.

Wat mensen niet altijd in de gaten hebben, is dat dravers echte topatleten zijn. Voordat deze paarden op de baan verschijnen gaat er dan ook een hele training aan vooraf. Meestal zet de eigenaar zijn kostbare paard bij een beroepstrainer neer, wiens werk het trainen en uitbrengen van dravers in de koersen is. Grote stallen hebben soms wel meer dan 100 paarden in training! Ook zijn er in ons land eigenaartrainers te vinden, die – de naam zegt het al – hun eigen paarden trainen. Zij mogen geen paarden van anderen trainen.

De training van een draver begint al vroeg, iets waar sommige mensen nog altijd vreemd tegenaan kijken, maar dat echt zijn nut heeft! Met anderhalf jaar worden de meeste Dravers rustig voor de kar beleerd. Ze hoeven dan niet hard te werken, maar maken op een rustig tempo kilometers voor een lichte sulky. Dit heeft zijn voordelen voor de pezen van paarden, één van de belangrijkste onderdelen van het paardenlichaam als het om het leveren van prestaties gaat. Deze kunnen namelijk alleen positief door training beïnvloed worden vóór het paard twee-en-een-half jaar oud is! Dit is wetenschappelijk aangetoond. Alle training op latere leeftijd verbetert de pezen niet meer. Daarom is het zo belangrijk dat het jonge paard al goede, rustige training krijgt, daar heeft hij zijn hele verdere leven plezier van, hij wordt er alleen maar sterker van.

Uiteraard is een paar kilometer draven voor een licht karretje, op een goede ondergrond, en voornamelijk rechtuit, veel minder belastend dan wat een paard onder het zadel voor werk doet. De jonge draver hoeft geen gewicht te dragen, geen krappe bochten te lopen (zoals in een bak) en de trainingsbanen zijn niet van diep en mul zand, maar licht verhard zodat de ondergrond vlak en voldoende stevig is.

Nog een wijdverbreid misverstand is dat dravers alleen maar linksom zouden lopen, omdat de koersen altijd links om gaan. Dat is niet zo: alle dravers worden zowel links- als rechtsom getraind, het is niet de bedoeling dat ze scheef worden. Alleen een recht lopend paard kan topprestaties leveren in draf!

Als het jonge paard zo ongeveer een half jaar rustig aan het werk geweest is, en hij zo’n 10 kilometer in een kalme draf kan afleggen, dan komen de eerste snelle trainingen of “snelwerkjes” om de hoek kijken. Dat gebeurt meestal zo’n twee keer per week, ook iets wat de meeste mensen niet weten. Een draver hoeft niet elke dag “hard” te gaan, zo’n twee keer per week wordt hij op snelheid getraind en de rest van de week loopt hij rustig zijn kilometertjes om de basisconditie op peil te houden. Het snelwerk wordt ook geleidelijk opgebouwd, en als de trainer na een paar maanden vindt dat het paard er klaar voor is, dan komt het spannende moment dat hij voor zijn eerste koers wordt ingeschreven! De eerste keer is dat een zogenaamde “kwalificatiekoers”, waarin het paard moet laten zien dat hij een bepaalde minimumtijd kan lopen, voordat hij aan de echte koersen deel mag nemen.

Mensen denken vaak dat dravers al heel jong in de koersen worden ingezet, sommigen hebben het zelfs over koersen met jaarlingen! Dat is absoluut niet waar; dravers mogen hun eerste koers lopen in de maand juni van het jaar waarin ze twee jaar oud zijn geworden, maar nog geen 10% van alle dravers komt als tweejarige aan de start, de meesten hebben hun eerste start als ze 3, 4 of 5 jaar oud zijn. Ze mogen doorgaan tot en met hun 14e jaar, daarna moeten ze “met pensioen”.

De dravers in Nederland hebben het goed. Voor elk paard wordt een specifiek trainingsschema gemaakt waarbij gekeken wordt naar wat het beste werkt voor dit paard. Voor sommige paarden is dit een training op het strand om voornamelijk rechtuit te gaan, maar weer andere paarden worden onder het zadel gereden en gaan daarbij ook in galop. Daarnaast wordt er met zorg gekeken de kwaliteit van het voer en komt er voor de meeste dravers iedere vier weken een hoefsmid. Verder komen ze eigenlijk het hele jaar door overdag in wei of paddock, ze hebben dus voldoende tijd om gewoon lekker “paard” te kunnen zijn. Na een koers hebben ze meestal 1 of 2 dagen vrij, die ze buiten met hun soortgenoten doorbrengen. Het is zowel in het belang van de eigenaar als van de trainer om het paard zo optimaal mogelijk te verzorgen en te trainen, zodat ze zo lang mogelijk mee kunnen doen in de koersen. Natuurlijk is drafsport een sport waar (bescheiden) geldbedragen verdiend kunnen worden, maar de meeste eigenaren en trainers zijn tevens paardenliefhebber en willen het beste voor hun paard. En: een paard dat zich niet 100% voelt, kan geen topprestaties leveren!

Dravers hebben hun eigen, specifieke harnachement. Om ze voor een trainingskar of sulky te kunnen zetten, heb je natuurlijk een tuig nodig. Dat verschilt al van de tuigen die de meeste andere aangespannen paarden op krijgen: Dravers hebben een “hi-tech” tuig waar de kar met één beweging aan bevestigd kan worden; het zogenaamde “kliktuig” of “quick-hitch”. Ook de hoofdstellen kunnen heel erg verschillen van dat van een rijpaard; er zijn allerlei soorten oogklepppen, neusriemen en bitten, hoewel er qua bitten niet zo heel veel variatie is, ze zijn alleen anders dan de meeste mensen gewend zijn. Hier in Nederland zijn maar een paar soorten bitten toegelaten, met een ander bit mag het paard niet in de koers starten. Een baancommissaris bekijkt of de spullen die het paard draagt wel binnen de regels valt. De meeste draverbitten hebben halve lepels aan de onderkant. Dat voorkomt dat het bit door de mond van het paard kan glijden als het paard zijn hoofd ineens opzij zou doen. De meeste van dit soort bitten zijn enkel of dubbel gebroken. Verder hebben veel Dravers nog een extra onderdeel aan het hoofdstel, het zogenaamde “check” of “opzet”. Dit zorgt ervoor dat de Draver zijn hoofd in de juiste positie houdt om tot een zo snel mogelijke draf te komen, en geeft hem steun als hij moe wordt.

Behalve hoofdstel en tuig zijn er nog diverse soorten beenbescherming om te voorkomen dat het paard zich op topsnelheid aan zou kunnen tikken, en een groot assortiment hoefijzers; het juiste beslag bij het paard zoeken is vaak al een wetenschap op zich! Elk ijzer heeft zijn eigen eigenschappen, en het gewicht van het ijzer maakt ook veel uit voor de manier waarop het paard zich beweegt. Hoe zwaarder het ijzer, hoe hoger het paard vaak zijn benen optilt. Sommige Dravers hebben in de koersen helemaal geen ijzers onder en lopen op hun blote voeten.

Wil je meer weten over de optoming of ijzers? Kijk dan hier. (komt zsm online)

Foto28

Verschillende soorten koersen

In Nederland zijn er twee soorten koersen waar Dravers aan mee kunnen doen: langebaan- en kortebaandraverijen.

Langebaandraverijen zijn wedstrijden op een speciale drafbaan, en met een minimale lengte van 1.609 meter (de Engelse mijl). De meeste koersen gaan over 2.000 meter, maar er zijn ook “stayerskoersen” voor paarden met een lange adem. De langste draverij in Nederland gaat over maar liefst 4.500 meter, de beroemde “vier-en-een-halve kilometer van Alkmaar” die jaarlijks op deze Noordhollandse baan wordt verreden.

De meeste van dit soort langebaankoersen werken met een autostart: een speciale startauto heeft vleugels die hij naar twee kanten kan uitvouwen, en daar lopen de paarden achter tot het startpunt. De auto geeft dan gas en rijdt bij de paarden weg, waarna de paarden aan hun koers beginnen. De snelheid op het moment van starten ligt soms wel boven de 55 kilometer per uur!

Daarnaast bestaat er nog een “bandenstart”, een soort handicap: ze gaan bij deze startvorm op verschillende afstanden van start. Deze afstanden zijn van elkaar gescheiden door een lang elastiek; een aantal paarden start bijvoorbeeld vanaf 2000 meter, dan volgt er een elastiek, daarachter bevinden zich de paarden die beginnen vanaf 2020 meter, weer een elastiek en daarachter staan de paarden die 2040 meter moeten lopen. Op aanwijzing van de starter schieten de elastieken weg en kunnen de Dravers aan hun koers beginnen! Zo kunnen paarden van verschillend niveau tegen elkaar lopen, de paarden die het meeste geld hebben gewonnen lopen de langste afstand.

Een auto met daarin het draverijcomité (een soort jury) rijdt op de baan mee om te zien of alles volgens de regels gaat, zij kunnen sancties uitdelen als er bijvoorbeeld te krap gepasseerd wordt, en zien er op toe dat de paarden netjes behandeld worden. Zo mag er maar zéér beperkt gebruik van een zweep worden gemaakt, en misbruik wordt gestraft. De meeste bewegingen die je ziet met een zweep raken het paard niet, maar komen op de bomen van de sulky terecht; dat spoort het paard aan zonder hem aan te raken. Het beeld dat mensen vaak hebben, dat de paarden zoveel klappen krijgen, is dus niet terecht; het comité houdt dat in de gaten. Het comité oordeelt ook over de gangen van het paard: springt de Draver in galop en is hij niet na een paar galopsprongen weer in draf, dan wordt hij gediskwalificeerd en kan hij niet meer meedoen voor de prijzen.

Op een vast punt op de drafbaan staat een finishpaal, en met speciale fotoapparatuur kan heel nauwkeurig worden vastgesteld welk paard zijn neus als eerste over de finishlijn bracht!

Langebaanddraverijen kun je zien op de drafbanen van Duindigt (Wassenaar), Alkmaar, Wolvega en Groningen, maar ook op diverse grasbanen in het land (zie www.grasbanen.nl).

Kortebaandraverijen kennen een afstand van rond de 300 meter, en worden overal in het land uitgeschreven, meestal tijdens een feestweek van een stad of dorp. Ze lijken veel op de draverijen die een paar eeuwen geleden op de jaarmarkten werden gehouden, het is een echt stukje traditie. Ze worden gewoon in een lange rechte straat gehouden, waar zand op is gestort.

Het gaat als volgt: er komen steeds twee Dravers tegen elkaar uit. De Draver die twee keer van de ander wint, gaat een ronde verder, het is dus een afvalrace. Na elke ronde wordt er geloot wie welke tegenstander gaat krijgen. Uiteindelijk blijft er een winnaar over. Er komt altijd veel publiek op af, het is echt een aanrader als er eens eentje in de buurt wordt gehouden! Je vindt de locaties op www.ndr.nl .

Het koersen met Dravers is tamelijk veilig; er gebeuren gelukkig maar heel weinig ongelukken, en bijna nooit met letsel als gevolg (zowel bij paard als rijder). De spectaculaire ongelukken die je jammer genoeg nog wel eens bij sensatie TV-programma’s ziet, komen in Nederland eigenlijk nooit voor, dit komt bijna altijd uit Amerika en Australië, waar men veel met pacers (telgangers) koerst die door hun optoming veel eerder ten val komen als ze in galop springen dan onze Europese paarden, die in zuivere draf gaan. Het aantal ongelukken op jaarbasis met letsel zijn op één hand te tellen.

Het mooie aan drafsport is, dat iedereen er bij betrokken kan raken! Natuurlijk als eigenaar van een paard, of als rijder (er zijn speciale koersen voor amateurs en amatrices), maar het is ook mogelijk om een deel van een koerspaard aan te schaffen, zodat de kosten laag blijven en je toch alle spanning van het “eigenaarschap” hebt. Maar ook als publiek kun je de drafsport echt “beleven”; naast het kijken naar mooie sport met prachtige paarden, kun je op de drafbaan een weddenschap plaatsen, dat kan al vanaf 2 Euro! Niets zo leuk om te kijken waar jouw uitgekozen paard zich in de koers bevindt en hem of haar flink aan te moedigen op weg naar de finish.

Ook hoef je niet de hele tijd op één plek op de tribune te blijven zitten; je kunt overal rond lopen, op veel banen is het mogelijk om een rondleiding te krijgen, je kunt in de totohal kijken hoe anderen hun weddenschappen plaatsen, er hangen vaak monitoren waarop je koersen kunt bekijken die op dat moment op andere banen worden verreden, en het is mogelijk om een kijkje te nemen op het stalterrein. Bij welke andere sportwedstrijd kun je dat allemaal? Een dagje drafsport meemaken is dus een heel levendige ervaring!

Ben je benieuwd naar de drafbanen in Nederland? Kijk dan hier.